Project omschrijving

Artikel in 'Veeteel' maart 2015

Staatssecretaris Sharon Dijksma wil dat 80 procent van de koeien in 2020 in de wei loopt. Het interview van Jelle met haar over het belang van weidegang verscheen in maart 2015 in VeeteeltGras Extra, een speciale bijlage bij Veeteelt, die tweemaal per jaar verschijnt.

Staatssecretaris Sharon Dijksma wil koeien zien in bloem- en kruidenrijk grasland

‘Er mag best nog een tandje bij voor weidegangambities’

Sjoerd Hofstee in zijn rol als discussieleiderKoeien horen om verschillende redenen gewoon in de wei, vindt Sharon Dijksma. Een wettelijke weidegangverplichting gaat haar echter te ver. ‘Initiatieven die in de sector en in de keten worden gedragen, werken veel beter. Een goed voorbeeld daarvan is de premie voor weidemelk’, stelt de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken.

De Tweede Kamer nam dit najaar een motie aan waarin werd gesteld dat de regering regelgeving moet voorbereiden om te zorgen voor weidegang voor alle Nederlandse koeien. In haar antwoord aan de Tweede Kamer was Dijksma vrij duidelijk. ‘Ik wil weidegang zoveel mogelijk bevorderen. Maar weidegang voor alle koeien lijkt me niet haalbaar omdat dit voor een deel van de melkveebedrijven grote praktische bezwaren heeft en grote gevolgen voor de continuïteit.’

Dijksma gaf vervolgens wel aan om samen met de 63 andere partners in het convenant weidegang verdere actie te willen nemen om de weidegang te bevorderen. De staatssecretaris lijkt aan te sturen op een verdere verhoging van de premie voor weidemelk.

Waarom vindt u het zo belangrijk dat de koeien in Nederland voldoende weidegang krijgen?

‘Koeien in de wei zijn voor mij een onlosmakelijk met Nederland verbonden cultureel erfgoed. Zonder koeien zou het landschap een stuk saaier worden. En nog belangrijker: het is goed voor het welzijn van de koe. Weidegang draagt bij aan het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag. Reken maar dat de koe graag naar buiten gaat. Wat dat betreft spreken de beelden van uitbundig dansende koeien met hun staart in de lucht als het voorjaar is aangebroken en de boer zijn koeien voor het eerst de wei in stuurt boekdelen.’

De maatschappij lijkt het met u eens dat er zoveel mogelijk koeien buiten moeten lopen. Toch legt u de stimulans voor weidegang tot nu toe volledig bij de sector neer. Welke stimulans kan en wil Economische Zaken zelf geven aan het stimuleren van weidegang?

‘Niet alleen de Nederlandse burger maar ook de melkveesector zelf is het met mij eens dat weidegang een uitstekende zaak is. Weidegang is een belangrijk thema van de partners in de Duurzame Zuivelketen. En het ministerie van Economische Zaken is ook partner in het convenant weidegang, dat erop is gericht om de trend van de afgelopen jaren naar minder weidegang te keren. Het afgelopen jaar was er in elk geval geen sprake meer van een verdere terugloop. Maar wat mij betreft mag er nog best een tandje bij als het gaat om de ambities op het punt van de weidegang. Daar wil ik met de convenantpartners aan werken.

Denkt u dat het verankeren van grondgebondenheid in de mestwetgeving een ‘boost’ gaat geven aan weidegang?

‘Een ‘boost’ lijkt me wat overdreven, maar grondgebondenheid helpt zeker voor weidegang. Zonder grond is weidegang natuurlijk ook gewoon niet mogelijk.’

Bent u van mening dat lokale en provinciale overheden in de vergunningverlening eisen moeten opnemen die de weidegang stimuleren?

Dat vind ik niet de manier waarop je dit tot stand moet brengen, net zo min als ik vind dat we als rijksoverheid een wettelijke verplichting moeten opleggen. Dat werkt niet. Veel beter werken initiatieven die in de sector en in de keten worden gedragen. Een goed voorbeeld daarvan is de premie voor weidemelk.’

De actuele situatie is dat, als de trend doorzet, binnen nu en tien jaar 75 procent van de koeien binnen staat. Als alle maatregelen onvoldoende blijken te helpen, is het dan denkbaar dat u weidegang wettelijk gaat verplichten?

‘Dat is naar mijn overtuiging niet wat er gaat gebeuren. In 2013 liep 70 procent van alle koeien in de wei, waarmee de teruggang een halt is toegeroepen. Ik heb vertrouwen in de sector die toekomstgericht bezig is en duurzaamheid en weidegang ook zelf hoog in het vaandel heeft.’

Is het denkbaar dat er meer ruimte in mestwetgeving komt voor weidende bedrijven?

‘De mestwetgeving maakt geen onderscheid tussen bedrijven met en zonder weidegang en ik heb ook geen plannen in die richting. Weidegang draagt wel bij aan de vermindering van de ammoniakuitstoot en op dat punt hebben weidende bedrijven sowieso een voordeel.’

Bij welke melkveehouder zou een koe volgens u het liefst in de stal willen staan: bij degene die haar verplicht tot een aantal uren weidegang per dag of bij de boer waar de koe elke dag vrij heen en weer kan pendelen tussen stal en weide?

Voor de koe lijkt me een vrije keuze het meest aantrekkelijk, maar laten we ook de boer niet uit het oog verliezen. Ik wil de Nederlandse boer niet voorschrijven hoe hij precies invulling geeft aan de weidegang. Voor de een is een stal met vrije uitloop misschien een optie, terwijl de bedrijfsvoering bij de ander het vee een aantal uren naar buiten sturen beter werkt.

Gras is onlosmakelijk verbonden met koeien en weidegang. Hebben al die groene graslanden ook nog een andere functie voor de BV Nederland?

‘Nou en of. Allereerst zijn weilanden, zeker als er koeien of andere landbouwhuisdieren op lopen, onderdeel van het aantrekkelijke natuurlijke landschap dat Nederland te bieden heeft. Wat dat betreft moeten we ook echt af van de tegenstelling die vaak wordt gezien tussen natuur en landbouw. Ze kunnen heel goed hand in hand gaan. Verder zou ik ook graag willen zien dat de wei weer wat bloemrijker en kruidenrijker wordt. Dat is van belang voor de bijenstand en ook voor de weidevogels.’

Denkt u dat dat weidegang in 2020 nog steeds een discussiethema is in de Tweede Kamer?

‘2020 is niet zo heel ver weg. Ik kan me heel goed voorstellen dat er ook dan nog wel eens over weidegang wordt gedebatteerd. Maar de wens van burgers én van de sector én van mij om weidegang te stimuleren en zoveel mogelijk uit te breiden heeft er dan hopelijk wel toe geleid dat de neerwaartse trend van de jaren vóór vorig jaar definitief is gekeerd.’