Project omschrijving

Artikel in 'Nieuwe Oogst' 27 mei 2013

Al in mei 2013 waarschuwden opiniemakers Jan Cees Vogelaar en Harm Holman dat het mestbeleid melkveehouders niet alleen te veel groeiruimte bood, maar te ingewikkeld. Dit wordt vroeg of laat afgeserveerd met dierrechten, luidde hun stelling. Hun boodschap van toen is dit jaar actueler dan ooit. Jelle zette Holman en LTO-voorman Kees Romijn aan tafel en tekende onder de kop ‘We drijven af van grondgebondheid’ hun discussie op in de Nieuwe Oogst van 27 mei 2013.

We drijven af van grondgebondenheid

Koeien in de weiLTO gelooft heilig dat haar ingezette koers voor een nieuw mestbeleid de koerechten buiten de deur houdt. Twee geroutineerde opiniemakers, de leden-melkveehouders Harm Holman en Jan Cees Vogelaar, zijn kritisch. Sceptisch ook. Nieuwe Oogst zette een van hen, Holman, aan tafel met voorzitter Kees Romijn van LTO-vakgroep Melkveehouderij. Een debat over mest.

Romijn: Het nieuwe mestbeleid beloont veehouders die efficiënt omgaan met mineralen op hun bedrijf. Hoe efficiënter, hoe meer ruimte je verdient voor bedrijfsontwikkeling. Daarnaast proberen we mestafzet in de omgeving optimaal te organiseren. Is dat klaar dan is er als vangnet de mestverwerking. Om dat goed te laten draaien, verplichten we elke boer die meer mest produceert dan hij op z’n grond kwijt kan een deel daarvan verplicht te verwerken. Met die insteek wordt elke groeiboer zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overschotten. Heb je genoeg grond dan heb je nergens mee te maken. We lossen het mestprobleem op via ondernemerschap, niet via een duur systeem van rechten. Ik snap niet wat je daar op tegen hebt.’

Holman: ‘LTO laat 90 procent van de melkveehouders, die normaal probleemloos en kostenloos zouden kunnen groeien, het mestprobleem oplossen voor de intensieve, niet grondgebonden bedrijven. Dat zijn vooral varkenshouders. Koeien, varkens, regio’s met overschot en regio’s zonder overschot worden in het plan van LTO op één hoop gegooid. Daardoor betaalt het familiemelkveebedrijf in regio’s zonder mestoverschot de rekening van een probleem dat vooral door een andere sector en een andere regio is gemaakt. Kom op Kees, daarvoor betalen we je toch niet?’

Romijn: ‘We hebben al meer dan 30 jaar een probleem: we produceren meer mest dan we kunnen plaatsen. Alle sectoren en regio’s hebben daarin hun aandeel. De een wat meer dan de ander. Dat willen we nu voor eens en voor altijd goed oplossen. Het is dan logisch dat je dat samen doet. Ook omdat LTO over alle sectoren heen is georganiseerd en de politiek het onderscheid tussen sectoren niet maakt. Die wil gewoon af van die mest. Bovendien komen we wel degelijk tegemoet aan de verschillende uitgangsposities van regio’s en sectoren. Zo zijn er in ons plan verschillen aangebracht in mestverwerkingsplicht tussen regio’s. Hoe groter de veedichtheid, hoe hoger de rekening. Nog een tegemoetkoming aan de grondgebonden bedrijven in extensieve gebieden: zolang je niet meer dan 25 koeien meer melkt dan je grond hebt, ben je vrijgesteld van verplichte mestverwerking.’

Holman: ‘Prima, maar toch de vraag: waarom samen? De kippenhouders hebben hun mestprobleem zelf ook prima opgelost. Laat de varkenshouders, die niet erg grondgebonden zijn, hun mest ook gewoon voor 100 procent verwerken. En zorg dat de melkveehouders nog meer grondgebonden worden dan ze nu zijn.’

Romijn: ‘We doen het samen, omdat we geloven dat het voordelen geeft voor alle sectoren. Zo voorkom je dierrechten voor extensieve boeren, maak je de mestafzet voor de intensieve boeren goedkoper en krijgen alle boeren meer beschikking over hoogwaardige mest. Het is ook te simpel om te zeggen: ‘Laat de varkenshouders hun mest maar opruimen. De melkveehouders hebben net zo goed een overschot en dus een verantwoordelijkheid. Maar vertel: hoe wil jij het regelen?’

Holman: ‘Een maximale melkproductie per hectare afspreken, ergens tussen de 15.000 en 20.000 kilo melk per hectare. Groei daarboven is alleen mogelijk als de veehouder zijn mest af kan zetten in een straal van 20 kilometer rond zijn boerderij. Lukt dat niet, dan is het einde groei. Zeker 90 procent van de melkveehouders voldoet hier probleemloos aan. Je hebt met deze vorm van grondgebondenheid een ijzersterk verhaal naar de maatschappij. En je bent af van dat oeverloze gesleep met mest. Mest rijden van Brabant naar Uithuizen is niet duurzaam. Dat gesleep zit nog steeds wel in het LTO-plan.’

Romijn: ‘Dat valt wel mee. Boeren op grotere afstand van een mestverwerker kunnen een vervangende verwerkingsovereenkomst (VVO) afsluiten met een varkenshouder in Brabant. Die melkveehouder heeft dan voldaan aan zijn verwerkingsplicht, terwijl hij zijn mest gewoon in de omgeving afzet. Niks geen gesleep.’

Holman: ‘Daar heb je weer zo’n papieren systeem. Zo’n VVO is fraudegevoelig tot en met, net als BEX en in mindere mate de kringloopwijzer.’

Romijn: ‘Zeker de kringloopwijzer is niet fraudegevoelig. Los daarvan: elk systeem dat je bedenkt lokt fraudeurs. Dat kun en moet je zo goed mogelijk dichttimmeren.’
‘Je voorstel voor een maximum melkproductie per hectare beoordeel ik als generiek, star en duur. Bovendien geeft het geen enkele garantie dat er milieuvriendelijker geproduceerd wordt. Voor iemand zonder grond in de buurt is het einde groei. Wij bieden liever maatwerk. Als alle melkveehouders via de kringloopwijzer straks efficiënter werken, kunnen we 20 procent meer melken zonder dat ook maar één hectare extra grond nodig is.’

Holman: ‘Het voorop stellen van ondernemerschap juich ik in beginsel ook toe. Groei is nodig en noodzakelijk, maar dan wel graag duurzaam en zonder dierrechten. Het plan van LTO gaat voorbij aan het meest essentiële punt: het overtuigen van de politiek dat Nederland niet wordt overspoeld met koeien en varkens. Een varkenshouder met tweeduizend varkens in Brabant kan met het LTO-plan gewoon nog eens tweeduizend varkens extra gaan houden. Als hij maar zorgt dat die mest wordt verwerkt. Als er na 2015 10 procent meer melk komt, neemt de roep om dierrechten onherroepelijk weer toe. Wat als dat gebeurt? De politiek is gewoon erg onbetrouwbaar.’

Romijn: ‘De kunst van ‘wat-als-vragen’ is om te zorgen dat ze niet gesteld worden. Met dit plan willen we juist die dierrechten voorkomen. Maatschappelijk draagvlak en acceptatie moeten we daarnaast ook afdwingen. Dat doen we via verschillende dossiers, waaronder deze.’

Holman: ‘Juist niet via deze. Juist door sectoren en regio’s op een hoop te gooien drijft de melkveehouderij steeds verder af van grondgebondenheid. Met het mestdossier sleep je de melksector in het spoor van de varkenshouderij naar een imago van industriesector. Melkveehouders gaan vooral investeren in stallen en koeien, niet in grond. Vroeg of laat zegt de politiek dan: laat maar, we regelen het wel even met dierrechten.’

Romijn: ‘Dat zie ik niet gebeuren. Er zijn via andere dossiers, als ammoniak, dierwelzijn en ruimtelijke ordening, zoveel andere begrenzingen dat die ongebreidelde groei die jij vreest helemaal niet mogelijk is. Los daarvan zie ik niet in waarom een boer in Steenbergen op het mestdossier meer rechten moet hebben dan een boer in Brabant.’

Holman: ‘Ik wel. Je moet in de zeer intensieve veeregio’s niet nog meer intensieve veehouderij toestaan. In Brabant kun je de mest beter geheel verwerken in plaats van transporteren. Dat is nog goedkoper ook. Er zijn tien boeren in Nederland die meer dan duizend koeien willen melken. En er zijn tien varkenshouders die meer dan 25.000 varkens willen mesten. Die souperen heel veel mestruimte op. LTO moet gewoon durven zeggen dat er voor die bedrijven geen plek is. LTO spaart de kool en de geit ten koste van de belangen van het grondgebonden familiebedrijf. Durf te kiezen.’

Romijn: ‘Doen we. We kiezen voor ondernemerschap en het familiebedrijf. In onze toekomstvisie staat heel duidelijk dat we ver willen blijven van een grondloze, industriële melkveehouderij.’

Holman: ‘Maar je doet er niks aan. Je stimuleert alleen maar dat de veehouderij intensiever wordt.’

Romijn: ‘Mis. We hebben via verschillende dossiers verschillende knoppen waarmee we dat regelen. Maar jij wilt via een erg generiek mestplan, dat veel goede ondernemers op slot zet, de hele maatschappelijke acceptatie voor de hele melksector even regelen.’

Holman: ‘Dat klopt. Het LTO-plan is te veel gericht op: hoe kunnen we zoveel mogelijk mest plaatsen. Ik zie liever een plan dat erop is gericht om maatschappelijk geaccepteerd te kunnen blijven groeien. Met elke megastal die erbij komt, verspeel je goodwill.’

Romijn: ‘Ook wij koesteren het familiebedrijf. Maar met generiek beleid is het risico groot dat je heel veel dichttimmert. Ik wil helemaal geen verenging tot zoveel melk per hectare. Een boer met 25.000 kilo melk per hectare kan het op gebied van milieu en mest vele malen beter doen dan een boer met 10.000 kilo melk. Die differentiatie in vakmanschap en ondernemerschap wil ik er graag inhouden.’

Holman: ‘Dan help ik je hopen dat je het uitgelegd krijgt in Den Haag en Brussel. Hou het simpel, eenvoudig en duurzaam. Ook voor de boeren zelf.’

Romijn: ‘De overgrote meerderheid van de boeren staat achter dit plan. En ook in de Tweede Kamer hebben we een ruime meerderheid achter ons. Nu niet meer gaan draaien: doorzetten en afmaken. We hebben een heel goed plan dat gaat regelen dat er een duurzaam evenwicht komt op de mestmarkt. Daar hangt veel aan vast, onder andere een nieuwe derogatie voor de melkveehouders in Nederland.’

Download hier de .pdf van het artikel.